Nibud Scholieren onderzoek 2012-2013

Rik Topp

Samenvatting & conclusie

Het Nibud vindt het belangrijk dat kinderen en scholieren al vroeg leren omgaan met geld. Wat de scholieren zouden moeten leren staat beschreven in de leerdoelen en competenties van het Nibud. Er zijn vijf gebieden: in kaart brengen, verantwoord besteden, vooruit kijken, omgaan met financiële risico’s en over voldoende kennis beschikken: het financiële landschap kennen. De eerste drie gebieden vormen de kern. Deze drie gebieden worden expliciet in dit rapport behandeld, de andere twee competentiegebieden komen zijdelings aan de orde.

Samenvatting

In kaart brengen
In kaart brengen gaat niet alleen over het bijhouden van je administratie, maar juist bij jonge kinderen ook over overzicht, zelf geld verdienen en de bankzaken regelen.
Scholieren hebben gemiddeld 118 euro per maand te besteden. Dat is iets meer dan twee jaar geleden (103 euro), maar nog altijd minder dan 4 jaar geleden (144 euro). Scholieren hebben verschillende inkomstenbronnen. Ze krijgen geld van hun ouders, maar verdienen ook zelf geld met bijbaantjes.

55 procent van de scholieren maakt nooit een overzicht voor zichzelf van inkomsten en uitgaven.

Meisjes krijgen gemiddeld per inkomstenbron minder geld dan jongens. Zo krijgt een jongen gemiddeld 65 euro per maand aan kleedgeld en meisjes 59 euro. Meisjes hebben gemiddeld echter meer verschillende inkomstenbronnen. Van de jongens krijgt 32 procent kleedgeld, terwijl de helft van de meisjes kleedgeld ontvangt. Ook hebben iets meer meisjes dan jongens een bijbaantje.
Van de scholieren krijgt 88 procent zakgeld, 41 procent krijgt kleedgeld en 42 procent heeft een bijbaantje. Het percentage dat zakgeld krijgt is gelijk gebleven, maar het percentage scholieren dat kleedgeld krijgt is gestegen met 6 procentpunt. 36 procent van de scholieren legt kleedgeld ook echt apart voor de aankoop van kleding, een kwart geeft aan het geld meestal wel voor kleding te gebruiken.

Scholieren hebben veel meer inkomsten uit werk dan twee jaar geleden. Gemiddeld verdienden scholieren in 2010 -2011 nog 117 euro, tegen 157 euro in 2012.
Van de scholieren heeft 42 procent een bijbaantje tijdens de schoolweken. De krantenwijk is het populairst bij de jongens en babysitten bij de meisjes. Ook werken veel scholieren in een winkel. Gemiddeld werken scholieren 8 uur per week. Dat is een uur meer dan in 2010-2011.

55 procent van de scholieren maakt nooit een overzicht voor zichzelf van inkomsten en uitgaven.

89 procent van de scholieren heeft een eigen pinpas. Slechts een enkeling geeft zijn pincode aan vrienden.
Met de leeftijd neemt de ervaring met internetbankieren toe. Op 12-, 13- en 14-jarige leeftijd regelt 42 procent van de scholieren met een bankrekening zijn bankzaken via internet; van de 17- en 18-jarigen is dit 90 procent. Het gebruik van internetbankieren is toegenomen; twee jaar geleden maakte circa 70 procent van de 17- en 18-jarigen hier gebruik van.

Verantwoord besteden
Verantwoord besteden gaat over de uitgaven van scholieren. Hierbij staat het bewust keuzes maken centraal, net als de invloed van reclame en het vergelijken van prijzen.

Gemiddeld geven scholieren 92 euro per maand uit. Bij een gemiddeld maandinkomen van 118 euro lijken scholieren dus geld over te houden. Dat blijkt ook te kloppen, gemiddeld houden scholieren 27 euro in de maand over, de mediaan ligt op 10 euro in de maand. Dat houdt in dat de helft van de scholieren minder dan 10 euro en de helft meer dan 10 euro overhoudt.

Gemiddeld geeft een scholier 21 euro per maand minder uit dan twee jaar geleden. De verschillen in de hoogte van de uitgaven tussen meisjes en jongens is groter geworden. Twee jaar geleden bedroeg het verschil bij de meeste uitgavenposten minder dan 10 euro, nu is dat bij abonnementen, roken, schoolspullen, huisdieren en alcohol in de supermarkt meer dan 10 euro. In alle gevallen geven de jongens daar meer geld aan uit.

De hoogte van de gemiddelde uitgaven zijn berekend door de scholieren te vragen hoeveel zij uitgeven aan verschillende uitgavenposten. Deze bedragen zijn bij elkaar opgeteld. Als we aan de scholieren direct vragen wat zij per maand in totaal uitgeven, dan geeft een derde aan dit niet te weten.

Bijna alle scholieren hebben een mobiele telefoon. Ruim de helft heeft een prepaid toestel. Het percentage scholieren dat een telefoonabonnement heeft, neemt toe met de leeftijd. Van de scholieren met een mobiele telefoon heeft 76 procent een telefoon met internet. Het type telefoon en abonnementsoort verschilt per leeftijd. Meer dan de helft van de 17 – en 18-jarigen met mobiele telefoon heeft een smartphone met internetabonnement of prepaid internet. Bij de 12-jarigen met mobiel is dat 30 procent.

De telefoonkosten van de scholieren zijn gemiddeld 15 euro per maand. Met de leeftijd nemen de telefoonkosten toe. Scholieren van 13 jaar verbruiken gemiddeld 13 euro per maand, tegen gemiddeld 24 euro door 18-jarigen.
Scholieren met een abonnement met gsm hebben per maand de meeste kosten, namelijk gemiddeld 28 euro. Scholieren met een sim-only verbellen voor 12 euro en scholieren met een prepaid kaart voor 9 euro per maand.

Ouders betalen een groot deel van de kosten van hun kinderen. Met het toenemen van de leeftijd betalen meer scholieren (een deel van) hun kosten zelf. Van 80 procent van de scholieren betalen de ouders alle contributies en schoolspullen. Uitgaven die scholieren het vaakst zelf betalen, zijn snoep en snacks en de kosten van uitgaan. Van 19 procent van de scholieren daarentegen, betalen de ouders de uitgaven aan uitgaan helemaal. De kosten van de mobiele telefoon worden voor 29 procent van de scholieren geheel door zijn ouders betaald. Met het toenemen van de leeftijd zijn er minder ouders die alle kosten betalen; voor de 17- en 18-jarigen betaalt 17 procent van de ouders alle telefoonkosten.

In 2012 doen meer scholieren aankopen via internet dan twee jaar geleden. Toen had 37 procent dat nog nooit gedaan, nu is dat 31 procent. Met het toenemen van de leeftijd doen meer scholieren aankopen via internet. Van de 17 – en 18-jarigen koopt bijna 90 procent wel eens iets via internet. Vooral games en kleding zijn populaire producten om via in ternet te kopen. Bij de internetaankopen is het aantal scholieren dat de betaling laat regelen door zijn ouders, of Ideal van hun ouders gebruikt respectievelijk 18 en 30 procent.

42 procent van de scholieren weet niet goed welke uitgaven ze deze maand nog verwachten. Wel houden de meeste scholieren rekening met wat ze nog meer willen kopen als ze een aankoop doen (58 procent).

Scholieren ervaren zelf weinig druk om merkkleding te dragen en ze maken zich ook niet vaak druk over wat anderen van hen vinden. Slechts 7 procent zegt dat als hun vrienden iets hebben, zij dat ook willen. Wel geven de scholieren aan dat hun vrienden en klasgenoten gevoeliger zijn voor deze zaken. 31 procent is het eens met de stelling ‘Klasgenoten/vrienden kopen vaak spullen die ze niet nodig hebben’. 16 procent van de scholieren geeft aan dat zij het belangrijk vinden om merkkleding te dragen, en 28 procent geeft aan dat hun klasgenoten en vrienden dat belangrijk vinden.

Vooruit kijken
De volgende onderwerpen vallen onder het gebied vooruit kijken; plannen met geld, sparen en omgaan met lenen en verzekeren. Het laatste onderwerp speelt eigenlijk alleen bij de oudste scholieren en komt daarom niet aan bod.

42 procent van de scholieren weet niet goed welke uitgaven ze deze maand nog verwachten. Wel houden de meeste scholieren rekening met wat ze nog meer willen kopen als ze een aankoop doen (58 procent).

Van alle scholieren spaart 89 procent. Van de scholieren die sparen, heeft 11 procent het geld echter meestal snel weer nodig. 45 procent van de scholieren heeft wel eens een spaarplan gemaakt.

Van alle scholieren komt het merendeel (54 procent) nooit geld te kort. Een klein deel, 8 procent, komt vaak geld te kort. Dat is meer dan twee jaar geleden, toen kwam nog 60 procent nooit geld tekort en 7 procent vaak. De groep die geld tekort komt, is op financieel gebied een risicogroep. Van de scholieren die vaak geld te kort komen, spaart 3 0 procent niet, terwijl van de scholieren die nooit geld te kort komen, 7 procent niet spaart.

Van alle scholieren leent 42 procent wel eens geld. Dit is een lager percentage dan in 2010-2011; toen leende 56 procent van de scholieren vaak of soms geld. Het bedrag dat scholieren lenen is gelijk gebleven; het gaat per keer vaak om kleine bedragen van circa 2 euro. Het meest voorkomende leendoel is eten en drinken. Van de scholieren die wel eens lenen heeft 45 procent op dit moment geld geleend.

Omgaan met geld
Scholieren vinden zelf dat ze goed met geld kunnen omgaan (62 procent); slechts 4 procent is van mening dat hij niet goed met geld kan omgaan.
Lastige onderwerpen vinden scholieren vooral: belangrijke papieren netjes bewaren, overzicht houden over wat ze krijgen en uitgeven en voorkomen dat ze als gevolg van aanbieden meer kopen dan de bedoeling.

44 procent van de scholieren geeft aan dat er bij hen op school nog nooit aandacht is besteed aan omgaan met geld.

Conclusie

Scholieren doen het goed als het gaat om hun persoonlijke financiën. Gemiddeld houden ze geld over en een groot deel van de scholieren spaart. Het percentage scholieren dat geld leent loopt terug. Positief is dat veel scholieren die gebruik maken van internetbankieren dat op een veilige manier doen.
Toch zien we ook nog verbeterpunten; er is nog steeds een deel van de scholieren dat aangeeft geld te kort te komen en scholieren benoemen zelf ook dat ze zaken als overzicht houden en voorkomen dat ze teveel uitgeven als lastig ervaren.

Het is een positieve ontwikkeling dat ouders hun kinderen steeds meer verantwoordelijkheden geven, omdat scholieren zo in een veilige omgeving aan de slag kunnen met hun financiën. Als jongeren 18 jaar worden, zijn ze geheel zelf verantwoordelijk. Het is belangrijk dat ze in de jaren daarvoor de benodigde kennis en vaardigheden hebben opgedaan.
Het Nibud vindt het belangrijk dat kinderen leren hun uitgaven af te stemmen op een vast budget. Zo leren zij dat ze keuzes moeten maken en niet meer geld uitgeven dan zij hebben. Het is dan ook positief dat bijna 9 van de 10 kinderen zakgeld krijgen. Wel zouden meer ouders kleedgeld kunnen geven. Daarvan leren scholieren met een groter budget om te gaan. Met het toenemen van de leeftijd krijgen kinderen meer verantwoordelijkheid van ouders voor hun eigen uitgaven: zij moeten meer uitgaven dus zelf gaan betalen. Het Nibud ondersteunt dit, zo leren kinderen en scholieren meer financiële verantwoordelijkheid te dragen. Het Nibud hoopt dat meer ouders hun kinderen (een deel van de) uitgaven zelf laten betalen. De helft van de 17- en 18-jarigen betaalt alle kosten van zijn mobiele telefoon zelf.

Het Nibud merkt verder op dat een kwart van de scholieren extra geld vraagt van de ouders als zij geld te kort hebben en 17 procent geld leent van de ouders als ze geld tekort komen. Als ouders hier op ingaan, leren kinderen niet dat op ook echt op betekent.

Ouders zijn de belangrijkste financiële opvoeders, maar ook de school kan een rol spelen. Op scholen wordt nog beperkt aandacht aan geldzaken besteed. Daar ligt nog een kans, binnen de school kunnen scholieren met hun klasgenoten uitwisselen hoe zij met geldzaken omgaan en elkaar stimuleren om (op een betere manier) met geld om te gaan. Scholieren zien vaker de valkuilen bij hun vrienden en klasgenoten dan bij zichzelf. Er zijn meer scholieren die over hun vrienden en klasgenoten zeggen dat ze gevoelig zijn voor merken en sociale druk, dan dat ze dat over zichzelf zeggen.

Scholieren doen meer aankopen via internet dan twee jaar geleden. Het Nibud vindt het belangrijk dat scholieren hiermee leren omgaan. Een belangrijk aspect daarbij is dat scholieren grip houden op hun uitgaven. Doordat uitgaven ‘ondoorzichtiger’ worden, bestaat de kans dat het geld te gemakkelijk wordt uitgegeven. Scholieren vinden het nu al moeil ijk om overzicht te houden over hun inkomsten en uitgaven; de digitalisering maakt dat alleen maar lastiger. Het Nibud vindt dat scholieren vanaf 15 jaar zelf hun bankzaken zouden moeten beheren en moeten kunnen internetbankieren. Zij hebben hier wel begeleiding van hun ouders bij nodig. Nagenoeg alle 15-plussers hebben een bankrekening hebben en 72 procent van de 15- en 16-jarigen, en 90 procent van de 17- en 18-jarigen bankiert via internet. Belangrijk is dat scholieren hun bankzaken veilig regelen. De meeste scholieren letten goed op bij mailtjes van de bank, geven hun inlognaam niet af via e- mail en controleren de site van de bank voor ze inloggen. Slechts 3 procent van de scholieren heeft vrienden die hun pincode weten. Slechts een klein deel van de scholieren vergeet dat er meestal extra kosten bij online aankopen komen, dat is positief.

Belangrijk is ook dat scholieren op de hoogte zijn van de werking van reclame en van groepsdruk. Hier is nog winst te behalen. Scholieren herkennen wel dat klasgenoten en vrienden gevoelig zijn voor merkkleding en spullen kopen die ze niet nodig hebben, maar denken daar zelf een stuk minder gevoelig voor te zijn.

Het Nibud vindt het positief dat het merendeel van de scholieren die wel eens geld lenen, het geld ook zo snel mogelijk terugbetaalt. Er bestaat dus een besef dat het gaat om geld dat niet van hen is. Een kwart van de scholieren geeft aan dat zij ook vaak vergeten om terug te betalen. Nu gaat het nog om kleine bedragen, maar naarmate ze ouder worden kan dat een probleem worden.

Hele onderzoek bekijken

Ga terug naar overzicht